WES Op alle fronten zweeft Wesley vervolgens in een soort luchtledige en is nergens op zijn plek. De liefde tussen moeder en kind is in het algemeen van een onpeilbare diepte. Dat Wesley van zijn moeder houdt, zielsveel van zijn moeder houdt, lijdt geen twijfel. Maar hij is boos. Op de wereld en, vreemd genoeg, ook op haar. Hij is koppig, hij is trots, stuurs bij tijd en wijle; deze eigenschappen bepalen zijn temperament regelmatig tijdens haar ziekte. Onder zijn boosheid echter zit zijn liefde en zijn angst om zijn moeder kwijt te raken, en zowel hij als zijn moeder weten dat. Het afscheid dat Wesley en zijn moeder hebben is in feite een luchtig afscheid; hij is straks weer thuis. Toch voelt het als een generale repetitie. Wesley echter is degene die zich hier niets van aantrekt. Hij wil hier niet zijn, in dit kille ziekenhuis. Sterker nog, hij is hier niet, zijn moeder is niet ziek, ze gaat niet dood, en hij heeft geen pijn. De kus die hij haar geeft is een kus op de automaat, in gedachten speelt hij voetbal op het kamp.
‘s Nachts weigert hij zich over te geven aan de slaap. Het is een gevecht tegen de stilte. Dan smeert hij tandpasta op de oogleden van zijn vriendjes, maakt ze wakker, alles om maar niet alleen te zijn en na te denken. Onvermoeibaar creëert hij een nieuwe werkelijkheid. Alsof hij niet kan rusten zolang zijn moeder vecht voor haar leven. Pas op het moment dat zijn vader, in de deuropening van het kampgebouw staat valt de eenzaamheid op hem: het is duidelijk, Wesley ziet het in de ogen van zijn vader: ze is dood. Alles wat hij kent, zijn hele wereld, verkruimelt op dit moment. Er is alleen stilte. Doodmoe is hij, na twee rusteloze dagen en nachten. Zijn vader en hij hoeven weinig tegen elkaar te zeggen. Ze voelen beide het verdriet van de ander, zijn moeder is dood en komt nooit mee terug! In de auto op de weg terug strekt zich de lange snelweg voor hen uit. Het is stil in de auto. Wesley’s oogleden zijn loodzwaar. Hij kan niet anders dan in slaap vallen. Nu kan het eindelijk. |